Opvoeder en optimist ondanks alles
Het oorlogsdagboek van Andries Sternheim,
de enige Nederlandse medewerker van de Frankfurter Schule
Balling in eigen land
Dagboeken, egodocumenten, geven vaak een persoonlijk inkijkje in het leven van de auteur, de werk- en levensomstandigheden, de beschrijvingen en opvattingen over gebeurtenissen in de directe omgeving. Tussen alle oorlogsdagboeken schetst Andries Sternheim een beeld van de verhoudingen aan de linkerkant van de samenleving, in Nederland en in de beoefening van sociaalwetenschappelijk onderzoek in Duitsland. Hij blijft, hoezeer de oorlog zijn persoonlijk leven en dat van zijn gezin ook binnendringt, een toonbeeld van de sociaaldemocratische opvoeder en van het vertrouwen in een vreedzame toekomst.
Andries Sternheim wordt geboren op 19 mei 1890. Hij is voorbestemd om net als zijn vader Lionel (1857-1915) koopman te worden, maar uiteindelijk volgt hij het voorbeeld van zijn moeder Sara Keetje Biallosterski (1862-1931), die roosjessnijdster is. Na de echtscheiding in 1905 gaat zij terug naar de diamantindustrie. De Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) van Henri Polak, waarvan bijna alle werknemers lid zijn, behartigt hun belangen in de breedste zin van het woord. De bond beperkt zich niet tot de directe arbeidsvoorwaarden, maar biedt ook tal van mogelijkheden voor opleiding en culturele verheffing. Zoon Andries, die als leerling in de diamantsector aan de slag gaat, maakt daar volop gebruik van. Hij is een uiterst gemotiveerde deelnemer aan de vakbondscursussen. Mede door dit onderwijs slaagt hij in 1910 voor de MO akte Staathuishoudkunde en Statistiek. Hij raakt geleidelijk aan volledig in de ban van Henri Polak. “Wij horen”, schrijft hij later in zijn dagboek, “allen opvoeders te zijn”. Het wordt zijn levensmotto.
Achturendag
Net als Polak wordt hij vanaf 1909 actief in de SDAP en komt zo in het milieu van geassimileerde Joden. Partij en vakbond worden voor hem aanvullende strijdmiddelen van het proletariaat. De “achturendag” – acht uren werk, acht uren rust en acht uren ontwikkeling – is daarvan een belangrijke doelstelling. De ANDB is één van de eerste bonden die deze doelstelling weet te bereiken, in 1911.
Vanaf de Eerste Wereldoorlog ontwikkelt hij ook een grote fascinatie voor de internationale politieke verhoudingen. Die belangstelling kan hij beroepsmatig kwijt in de internationale vakbeweging als hij gaat werken op het secretariaat van het in 1919 opgerichte Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV), dat is gevestigd in Amsterdam. Sternheim wordt hoofd van de bibliotheek en de afdeling onderzoek en documentatie. Daar zal hij van 1920 tot 1931 aan verbonden zijn. Hoogtepunt voor hem persoonlijk is het werken aan het IVV-programma, waarvan het streven naar de achturendag de algemeen verbindende doelstelling is.
Maar de werkloosheid en armoede in Amsterdam ontgaat hem niet. De signalen dringen via het netwerkwerk dat hij opbouwt binnen NVV, SDAP en later ook het Instituut voor Arbeidersontwikkeling (IvAO), dat door partij en vakcentrale in 1924 is opgericht. Dat netwerk biedt hem later– in de tijd van de Jodenvervolging – veel steun.
Het werk bij het IVV biedt hem een stabiele basis voor zijn huwelijk met Gholina – Lien – Cohen (1898), met wie hij in 1922 is getrouwd. Samen krijgen ze twee zoons, Leonard (1924) en Paul (1926).
Via het IVV ontwikkelt hij ook contacten met de Internationale Arbeids Organisatie (IAO), dat na de Vrede van Versailles in 1919, gelijktijdig met de Volkenbond is opgericht. Dat brengt hem af en toe in Genève, waar jaarlijks vanuit de hele wereld regerings-, werkgevers- en vakbondsvertegenwoordigers elkaar treffen op de Internationale Arbeids Conferenties. Het zijn deze contacten die hem interessant maken voor de leiding van het Institut für Sozialforschung, beter bekend als de Frankfurter Schule. De leiding voelt in 1931 al de toenemende druk van Hitlers NSDAP en denkt met een dépendance in Genève de toekomst veilig te stellen. Bovendien zijn de Volkenbond en de IAO interessante opdrachtgevers voor hun onderzoek. Sternheim wordt het hoofd van die vestiging. Een droombaan vindt hij zelf. Maar achter zijn rug om bereidt de leiding al een verhuizing naar de Verenigde Staten voor. Tot zijn diepe teleurstelling blijkt daarbij voor hem geen plaats.
Gezagsverhoudingen binnen het gezin
Aanvankelijk is Sternheim betrokken bij het belangrijke onderzoek van de Frankfurter Schule naar de gezagsverhoudingen binnen het gezin. De vraag klopt de marxistische theorie hierover, staat daarbij centraal. Zijn inbreng wordt gewaardeerd, maar hij levert ook kritiek vanuit de bestaande literatuur op de conclusies en het onderzoek. Wellicht mede daardoor dringt hij niet door tot de harde kern van het instituut. Als de verhuizing naar Amerika dichterbij komt, lijkt men met Sternheim in zijn maag te zitten. Als een soort troostprijs krijgt hij de onderzoeksopdracht naar de invloed van de vrije tijd op de cultuur.
De verslechterende financiële situatie van het instituut staat echter een publicatie van die studie in de weg. Het is de bedoeling dat het boek voor de Duitse markt wordt geschreven, maar door de nazi-overheersing is daarvoor geen uitgever te vinden. Ook in Amerika niet. Verder dan enkele voorpublicaties komt het niet.
De financiële situatie wordt uiteindelijk zo slecht, dat de vestiging in Genève moet sluiten. De betrokken medewerkers worden ontslagen. Voor Sternheim betekent dit dat hij teruggaat naar Amsterdam. Wel wordt hij nog enige tijd doorbetaald, maar die uitkering wordt stelselmatig verminderd. Hij hoopt op werk bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) voor het beheer van het archief van Marx en Engels, dat kort tevoren is verworven. De directie slaagt er echter niet in de middelen daarvoor bij elkaar te sprokkelen. Uiteindelijk vindt hij werk bij de gemeente Amsterdam, waar hij op één van de net opgerichte kantoren voor de distributie van bonnen de leiding krijgt. Daarnaast verzorgt Sternheim lezingen voor de ANDB, onder meer onder de titel “De lijdensweg van de vrede, 1918-1939”.
Als op 10 mei 1940 Nazi-Duitsland binnenvalt, proberen Andries en zijn vrouw ook via IJmuiden te vluchten. Zoals voor zovelen loopt dit ook voor hen op een teleurstelling uit. Veel van zijn vrienden plegen dan zelfmoord, maar zij doelbewust niet. “Zij willen de Nazi’s hun lijk niet aanbieden”.
De anti-Joodse maatregelen van de bezettingsmacht hebben al snel tot gevolg dat hij zijn werk bij de gemeente Amsterdam kwijt raakt. Zijn financiële omstandigheden worden nog nijpender doordat de Frankfurter Schule opnieuw zijn toelage verlaagt.
Barneveld-groep
Hij blijft echter niet stilzitten. Illegaal geeft hij cursussen voor het IvAO. Tevens verzorgt hij onder auspiciën van de Joodse Raad de cursus Maatschappelijk werk. De hoop dat hij daardoor op de zogenaamde Barneveld-lijst kan komen, is vergeefs. Via zijn oude contacten bij het distributiekantoor is hij betrokken bij de illegale verspreiding van voedselbonnen. Pas als de oudste zoon, Leonard, zijn diploma haalt besluiten Andries en Lien onder te duiken. Het gezin valt dan uiteen.
In de onderduik, in mei 1943, begint hij dan zijn dagboek. Hij heeft er twee redenen voor. Allereerst wil hij dat zijn zonen na de oorlog kunnen lezen hoe hun ouders de oorlog hebben beleefd. Daarnaast wil hij letterlijk geschiedenis schrijven, als waarnemer en als commentator. Daartoe waarschijnlijk geïnspireerd door de oproep van IISG-directeur Nico Posthumus om “archivarische schatten te verwerven uit het bezit van opgejaagden en bedreigden in tijden van politieke crisis en vervolging”.
Op de negentiende verjaardag van hun zoon Leonard , 18 augustus 1943, krijgen Andries en Lien van Leonard het bericht dat hij naar Westerbork is gedeporteerd. Drie weken eerder is in Italië Mussolini als minister-president afgezet. In zijn dagboek is dat voor Sternheim aanleiding voor een genuanceerde bespiegeling over het einde van de oorlog. “Het komt, het komt alles zeker, maar wij willen erbij zijn, wij allen”.
Het dagboek eindigt op 24 november 1943 met de woorden, gericht aan zoon Paul: “Wij willen ons gereed houden voor een betere tijd die toch weer zal komen”. Opvoeder en optimist. Het verloop van de geschiedenis is echter dramatischer. Andries en Lien worden door verraad op 6 januari 1944 op hun onderduikadres in Heemstede gearresteerd. Twee maanden later vinden zij de dood in de gaskamers van Auschwitz. Hun zonen, van wie ze altijd zijn blijven hopen dat ze de oorlog zouden overleven, volgen kort erna. De jongste, Paul, 18 jaar, op 31 maart, de oudste, Leonard, 19 jaar, op 22 april 1944.
Jeroen Sprenger
November 2023
Dit verhaal is eerder gepubliceerd op de website De Vrijdagavond en op de website Het geheugen van de vakbeweging|
Besproken boek
Andries Sternheim, Balling in eigen land, oorlogsdagboek, ingeleid door Theo Beckers en Bertus Mulder, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2023, ISBN 9789 4645 50870, € 25,=
Lees ook Bertus Mulder, Andries Sternheim, vergeten en miskend





