De kleine wereld van
Jeroen Sprenger

Frankfurter Schule liet haar Nederlands-joodse medewerker Andries Sternheim vallen


“Leerling van Henri Polak ‘par excellence’

Andries Sternheim (1890-1944), vergeten en miskend binnen de Frankfurter Schule

In de jaren zestig ontwikkelde zich onder studenten in de sociale wetenschappen kritiek op de benadering van de toen dominante “waardenvrije”  en “behavioristische” wetenschapsbeoefening. Ze zochten meer “maatschappelijke relevantie” en een meer “marxistische” benadering. Velen richtten hun blik naar het oosten, naar de Frankfurter Schule. Niet zelden buiten het officiële onderwijsprogramma om discussieerden ze in studiegroepjes over geschriften van wetenschappers als Jürgen Habermas, Theodor Adorno en Herbert Marcuse. Vooral de “eendimensionale mens” van Marcuse die voorbestemd was slaaf te worden van het kapitalisme als gevolg van “repressieve tolerantie”, kwam in de aandacht. Eén van die studenten die gefascineerd raakte door de Frankfurters is Groninger studentenactivist Bertus Mulder (Heerenveen, 1949). Hij ontdekte dat zich onder de medewerkers een Nederlander bevond, Andries Sternheim. In 1991 schreef hij zijn proefschrift over hem:” Andries Sternheim, een Nederlandse vakbondsman in de Frankfurter Schule”. De persoon liet hem niet los. Vorig jaar publiceerde hij diens oorlogsdagboek. En onlangs kwam een nieuwe studie uit: “Andries Sternheim (1890-1944), Vergeten binnen de Frankfurter Schule”. Hierin richt Mulder in het bijzonder de aandacht op diens positie binnen het instituut en op de persoonlijke verhoudingen.

Anders dan de oprichters van de Frankfurter Schule kwam Sternheim niet uit een burgerlijk milieu en had hij geen academische opleiding gevolgd. Hij was – zoals ze dat in de vakbeweging pleegden te zeggen – gevormd door de “Hogeschool van het Leven”. Aanvankelijk lijkt hij voorbestemd om koopman te worden, maar na de scheiding van zijn ouders gaat hij in de diamantsector werken. Net als vele collega’s wordt hij lid van de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB) van Henri Polak, de eerste “moderne bond”. De ANDB richt zich niet alleen op verbetering van de arbeidsvoorwaarden, maar legt in feite de basis voor een sociaaldemocratische zuil door tal van mogelijkheden te bieden voor sociaalculturele verheffing. Sternheim maakt daar volop gebruik van.

Het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV)

Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog wordt Sternheim werkloos en krijgt hij werk binnen de gemeente Amsterdam. Hij is dan inmiddels lid van de SDAP geworden en heeft de M.O.-vervolgopleiding Staathuishoudkunde en Statistiek afgerond. Door de oorlog krijgt hij  belangstelling voor de internationale verhoudingen, die hij daarna kwijt kan in het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV). Het secretariaat daarvan wordt in Amsterdam gevestigd. Hij wordt daar in 1920 hoofd van de bibliotheek-  en documentatieafdeling.

Na de oorlog vinden er in vele landen grote politieke veranderingen plaats, waarbij de arbeidersbeweging een belangrijke plaats weet te verwerven. In vele landen nemen sociaaldemocratische partijen plaats in de regering en wordt de positie van de vakbeweging versterkt. Het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s)  - met daarin lang gekoesterde wensen als de achturendag - komen in beeld. Voor de internationale vakbeweging wordt de Internationale Arbeids Organisatie (IAO) in Genève een belangrijk aanspeelpunt. Aanvankelijk heeft Sternheim wel belangstelling voor een functie bij de IAO, maar Edo Fimmen, secretaris van het IVV, weet hem daar vooralsnog van af te houden. Hij biedt hem een functie bij het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (IVV).

Begin jaren dertig komt dan toch de overstap naar Geneve waar het IAO is gevestigd, maar dan als medewerker van de Frankfurter Schule. De ‘wetenschappelijke en praktische opleiding’ van Sternheim lijken Max Horkheimer, als vertegenwoordiger van de Frankfurter Schule,  de beste garantie voor een vruchtbare samenwerking tussen beide instellingen”.  Drie jaar lang, van mei 1931 tot en met april 1934, onderhouden Horkheimer en Sternheim een direct persoonlijk contact. Maar na 30 januari 1933, toen Hitler rijkskanselier werdkregen ander medewerkers  slechts weerstand en weerzin ten opzichte van Geneve, dat ze als een ballingsoord beschouwden, waar ze, met uitzondering van Sternheim en Horkheimer, een toeristenstatus hebben. Achteraf beschouwd is Genève voor hen slechts een doorgangshuis richting Verenigde Staten. Als Horkheimer de mogelijkheden van vestiging in Amerika gaat verkennen zijn verschillende medewerkers geïrriteerd. ‘Geneve is nu meer een meubelopslagplaats dan een huis voor filosofen.’ Die irritatie strekt zich geleidelijk aan ook uit tot Sternheim, die minder voor zijn taak geschikt geacht wordt.

Financiële tekorten

Bertus Mulder, biograaf van Andries Sternheim Bertus Mulder, biograaf van Andries Sternheim

Hoewel Sternheim een nuttige bijdrage levert bij het verzamelen van materiaal voor het project Autoriteit en gezin, zou hij weinig toevoegen aan het theoretisch werk van het Instituut, afgezien van zijn werk aan de studie over vrije tijd in de moderne samenleving. In die periode krijgt het instituut ook financiële problemen die een inkrimping van de staf noodzakelijk maken. Oproepen aan medewerkers als Sternheim om naar Amerika uit te wijken, worden vanaf dat moment genegeerd.

In de ogen van zijn collega’s was  Sternheim “een waardevolle medewerker die goede administratieve diensten verleende” op het kantoor in Genève. Ze mochten en respecteerden hem. Maar hij maakte geen deel uit hun intellectuele filosofie of oriëntatie. Het meest kritisch uit zich Adorno. Die noemt Sternheim een “beperkte geest die niet kan schrijven”.  Mulder: “Er is maar één inhoudelijk element in deze uitbarsting te ontdekken, namelijk daar waar Adorno schrijft over Sternheims opvattingen over de totalitaire staat. ‘Sternheims pure kennis van de situatie in de totalitaire staten is ook uitermate ontoereikend en overschat hij de ideologie enorm en vat hij die veel helderder op dan ze is.’ Dit oordeel tekent echter vooral Adorno’s aanvankelijke naïviteit inzake het nationaalsocialisme. ‘Zijn wereldvreemdheid leidde ertoe dat hij het barbaarse van het Hitlerregime niet onderkende’. De kritiek van Adorno eindigt in zijn uitspraak dat hij het liefst “de beul” zou willen zijn. Mulder: ”Ongetwijfeld speelt het negatieve oordeel van Adorno een rol als in 1938 besloten wordt hem terug te sturen naar Amsterdam.” 

Latere geschiedschrijvers van de Frankfurter Schule kunnen het ontslag niet los zien van het verschil van opvatting over antisemitisme. Anders dan zijn collega’s beschouwt Sternheim het antisemitisme niet als een uitvloeisel van het nationaalsocialisme, maar als een verschijnsel met een lange geschiedenis dat al sinds de middeleeuwen voorkomt.  Door de onderschatting van het nationaalsocialisme en antisemitisme konden de Frankfurters ertoe komen ‘einen langjährigen Freund und Kollegen wie Sternheim zu entlassen’.  Daarnaast zou er sprake zijn geweest van financiële problemen.

Geen solidaire onderzoeksgemeenschap

Het beeld van het instituut als een solidaire onderzoeksgemeenschap in ballingschap blijft niet overeind. Rondom de charismatische Max Horkheimer ontstond een groep, waarvan Sternheim geen deel uitmaakte. Inhoudelijk zag hij de tekortkomingen van het “filosofisch materialisme”. Een belangrijker aanleiding voor het ontslag was dat hij niet in staat bleek het Instituut financieel te runnen. De beschikbare fondsen waren, mits goed beheerd, ruim voldoende. Horkheimer en anderen logen erover en verloren er veel van door verkeerde speculaties.  Bij de presentatie van de jongste biografie rekende een mede-inleider– Ulrich Fries – dat het beschikbare bedrag, omgerekend naar de huidige tijd, minstens $ 56, 5 miljoen waard zou zijn. Zijn conclusie: “Dat de familie Sternheim niet kon worden gered, was niet te wijten aan geldgebrek.

Terug in Amsterdam probeert hij, zonder succes, in dienst te komen van het net opgerichte Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Wel kan hij bij de gemeente Amsterdam terecht. Daarnaast verzorgt hij voor de ANDB lezingen over “De lijdensweg van de vrede” en voor het Instituut voor Arbeid en Ontwikkeling (IvAO) en onder auspiciën van de Joodse Raad een cursus Maatschappelijk werk. De verwachting dat hij daardoor buiten vervolging kan blijven van de bezetters is misplaatst. Hij ziet zich in 1943 gedwongen met zijn gezin onder te duiken. Dan begint hij ook zijn dagboek, “Balling in eigen land”.  In maart 1944 vinden hij en zijn vrouw de dood in de gaskamers van Auschwitz.

De recente studie moet voor Bertus Mulder en zijn studiegenoten in de jaren zeventig met terugwerkende kracht een ontluistering zijn voor de geïdealiseerde Frankfurter Schule. De onderlinge verhoudingen waren weinig collegiaal en niet inspirerend voor medewerkers als Sternheim. Terecht noemt Mulder hem in de ondertitel “vergeten binnen de Frankfurter Schule”.  De hofkliek rondom Max Horkheimer is niet vrij van elitairisme en antisemitisme, maar is bovenal incompetent waar het het financieel beheer betreft. De persoon Andries Sternheim blijft echter sterk overeind als “de leerling van Henri Polak par excellence”.

Jeroen Sprenger

Besproken boek Bertus Mulder, Andries Sternheim (1890-1944), Vergeten binnen de Frankfurter Schule, Uitgeverij Noordhoek , EAN 9789464714180,  oktober 2025, 408p, € 29,90

Zie ook Jeroen Sprenger, Het oorlogsdagboek van Andries Sternheim, de enige Nederlandse  medewerker Frankfurter Schule, op de VHV website…

Hier kunt u content plaatsen.

Deze tekst past u aan door erop te klikken.